a-z
Gemaakt voor Kunsttechnieken en Visuele Analyse I
Sommige termen staan aangegeven met een ster ervoor (*). Dit zijn termen die niet expliciet met een definitie in de reader op Canvas staan (ze komen bijvoorbeeld voor in illustraties), maar deze moet je wel kennen (dit lijdt ik af uit de diagnostische toets over bouwkundige termen die we hebben gehad, waar deze woorden bevraagd werden).
Er zijn ook termen die een ster en een vraagteken (*?) achter zich hebben staan. Hier heb ik vraagtekens bij, zie onderaan ook een toelichting.
Schuingedrukte tekst na een pijl (->) is commentaar en/of toelichting.
Onderaan/aan de zijkant (hangt af van schermbreedte) staan de afbeeldingen uit de reader.
- aanzet
- begin of geboorte van een boog of van een gewelf
- aanzetsteen/aanzetstuk
- (natuur)stenen blok waar een gewelf of boog op steunt // samen met de sluitsteen ook wel eens de voussoirs genoemd
- abacus
- dekplaat van een kapiteel
- aedicula
- versieringsmotief bestaande uit twee pilasters, een hoofdgestel met fronton - ontleend aan de klassieke architectuur
- (muur)anker
- bouwonderdeel van ijzer (of hout) dat constructieonderdelen zoals muren, balken en stijlen aan elkaar vastmaakt en voor uitwijken behoedt
- ->een muuranker bestaat uit een veer en een schieter, dwz een rechte staaf (veer) die aan de binnenzijde aan een balk is bevestigd en aan de buitenzijde een oog heeft waar een rechte staaf (schieter) doorheen gestoken is. veer en schieter zijn vaak geteerd zodat ze geen waterschade krijgen (en zouden kunnen gaan uitzetten)
- apsis/absis
- nisvormige (of polygonale) sluiting van een koor schip of breuk - bevindt zich vaak achter het transept
- arcade
- reeks bogen (die vaak dmv zuilen of colonnetten worden ondersteund)
- architraaf
- doorlopend stuk steen direct boven een colonnade - het onderste dragende deel van het hoofdgestel
- arkel
- veelhoekig of rond uitbouwsel op de hoek van een bouwwerk dat niet vanaf de begane grond langs één of meerdere verdiepingen omhoog gaat
- as
- denkbeeldige lijn waarmee symmetrie aangegeven kan worden bij een bouwwerk
- atrium
- tijdens de romeinse tijd: binnenhof bij een woonhuis waaromheen de woonvertrekken lagen // sinds de vroegchristelijke tijd: binnenhof voor een basilica
- attiek
- uitlopend stuk boven de kroonlijst van een facade - onttrekt zich vaak van het dak
- balk
- dragend horizontaal constructie-element van hout, ijzer, staal of (gewapend) beton
- balklaag
- een rij balken die een vloer, verdieping of zolder dragen
- baluster
- (speciaal voor zijn doel vormgegeven) sterk geprofileerde zuil of spijl
- balustrade
- een reeks spijlen die samen een afzetting vormen van een balkon, trap, galerij of venster
- ->een moderne balustrade met spijlen noemt men vaak een reling
- basement
- de basis of voet van een pilaster, pijler of zuil
- basilica/basiliek
- een meerschepig gebouw met hogere middenbeuk en zijbeuken. de hoge middenbeuk is vaak voorzien van lichtbeuken
- ->belangrijke term // in de romeinse tijd diende de basilica voonamelijk als markthal en/of als beursgebouw en/of als plek waar recht gesproken werd. het was een plek waar mensen samen kwamen en dat maakte het een uitermate geschikte kandidaat voor de vraag "hoe moet een kerk eruitzien?", die opkwam in 313 toen na het Edict van Milaan het christendom gelegaliseerd werd binnen het romeinse rijk.
- ->de oude sint pieter is een goed voorbeeld en bestond uit (in volgorde van hoe de processie de elementen zou passeren): atrium, narthex, schip, transept met altaar, apsis
- bel-etage
- zie: piano nobile
- beuk
- romp van een bouwwerk - tevens gebruikt om een hiërarchische schikking aan te brengen tussen verschillende bouwonderdelen ten opzichte van elkaar
- blind
- dicht, zonder licht, onzichtbaar
- blinde boog
- boog waarbij de ruimter eronder dicht is
- boog
- kromme overspanning van een opening in een muur/plafond bedoeld om de druk erboven af te leiden
voornaamste boogtypen zijn: rondboog, segmentboog, hoefijzerboog, spitsboog, gedrukte spitsboog, stompe spitsboog, driepasboog, veelpasboog, schulpboog, waaierboog, schouderboog - boogfries
- versieringsmotief, bestaande uit een reeks kleine bogen, dat dient als horizontale afsluiting van een bouwlaag (vaak, maar niet uitsluitend, onder een kroonlijst)
- bordes
- stoep (of verhoogd platform) die uitspringt voor de ingang van een bouwwerk via één of meerdere traptreden
- bossage
- versieringsmotief waarbij rechthoekige blokken natuursteen aan de voorzijde bewerkt zijn om deze ruw behouwen of rustiek karakter te geven
- bouwlaag
- gedeelte van een bouwwerk tussen twee vloeren
- bovenlicht
- hooggeplaatst venster, bijvoorbeeld van een deur
- bundelpijler
- pijler bestaande uit een kern bezet met zuilen, halfzuilen, colonnetten of schalken, waar bogen uit verschillende richtingen samenkomen
- cannelure
- groef of gleuf in de schacht van een zuil of pilaster
- cartouche
- versieringsmotief waarbij een vlak (vaak met opschrift) omlijst is door steen- of stucwerk dat gevormd is als ingesneden en omkrullend papier of leer
- cassetteplafond
- plafond met verdiepte panelen, ontstaan door de vulling van de vakken van elkaar kruisende balken
- colonnade
- reeks zuilen die een hoofdgestel draagt
- colonnet
- dunne kolom of zuil
- console
- in een muur gemetselde, uitstekende steen die dient om de geboorte van bogen en gewelven of het einde van een balk te dragen - heeft vaak naast een constructieve ook een ornamentele functie // ook wel kraagsteen genoemd
- cordonlijst
- uitspringende lijst langs een gevel om verdiepingen te markeren
- corps de logis
- hoofdpartij van een aanzienlijk stadshuis, vaak hoger dan de zijvleugels
- crypte
- onderaardse ruimte in een kerk
- dak
- overdekking van een gebouw
voornaamste daktypen zijn: lessenaarsdak, zadeldak, schilddak, tentdak, mansardedak, wolfsdak zaagdak - *dakkapel
- uitbouw van het schuine dakvlak, vaak met een raamkozijn
- diamantenkop
- ornament (bij natuursteen) bestaand uit een naar voren gekeerde top van een vierzijdige piramide of een driezijdige prisma
- doorsnede
- weergave van een bouwwerk waar een denkbeeldig vlak door loopt, met name door de lengte- en/of breedteas
- drielichtvenster
- groep van drie smalle vensters naast elkaar, onderling gescheiden door stijlen of deelzuiltjes*?
- ->zie ook: tweelicht
- driepas
- versieringsmotief uit de gotische periode van maaswerk, gevormd naar een schema van drie elkaar rakende cirkels
- ->zie ook: vierpas
- dwerggalerij
- lage arcade bestaande uit een reeks bogen op korte vrijstaande deelzuiltjes*?
- eierlijst
- versieringsmotief uit de klassieke periode van lijstwerk waarop eivormige en pijlachtige figuren elkaar afwisselen
- enfilade
- lange reeks achter elkaar geplaatste representatieve vertrekken waarvan de deuren in één lijn liggen zodat doorkijk mogelijk is
- entasis
- kromming van de zuilschacht waarbij deze naar boven toe smaller wordt
- entresol
- lage of halve verdieping tussen twee verdiepingen in
- erker
- ronde, vierkante of veelhoekige gesloten uitbouw van een bouwwerk, die uitsteekt langs één of meerdere bouwlagen.
- festoen
- slinger van gehouwen of gesneden bladen, vruchten en bloemen
- formeel
- houten steunconstructie voor een te metselen boog of gewelf
- fries
- horizontale band met schilder- en/of beeldhouwwerk om een muurvlak aan de bovenzijde te begrenzen of in te delen - tevens een onderdeel van het hoofdgestel, en wel het horizontale deel tussen architraaf en kroonlijst
- ->een fries is niet per se een metope en een metope is op zichzelf geen fries: een traditioneel fries is altijd doorlopend terwijl een dorisch fries zich juist kenmerkt door de afwisseling van trigliefen en metopen
- fronton
- driehoekig- of segmentvormig versieringsmotief dat als bekroning van een gevel, venster of ingang dient
- ->het bestaat uit een timpaan, vaak ingevuld met beeldhouwwerk, dat is gevat in geprofileerd lijstwerk
- galerij
- overdekte gang die verkeer mogelijk maakt langs een aantal gebouwen of de vleugels van een gebouw
- gekoppeld
- bouwelementen zoals vensters, bogen en zuilen die gepaard of in drietal tot een groter symmetrisch geheel zijn samengevoegd en daaraan ondergeschikt zijn gemaakt
- gevel (oorspronkelijk)
- driehoekige top van een muur of houten wand die vóór het dak is geplaatst
- gevel (later)
- ook de gehele voormuur van een huis
voornaamste geveltypen zijn: tuitgevel, trapgevel, halsgevel, klokgevel, lijstgevel - gewelf
- overspanning van een ruimte door middel van een gebogen metselwerkconstructie waarbij drukkrachten optreden die opgevangen moeten worden door zware muren, steunberen en luchtbogen
voornaamste gewelftypen zijn: tongewelf, kruisgewelf, kruisribgewelf, koepelgewelf, stergewelf, straalgewelf, waaiergewelf - gewelfrib
- boog aangebracht in of onder de snijding van velden van een gewelf ter ondersteuning daarvan
- gordelboog
- boog die loodrecht op de lengteas van een opeenvolging van gewelfvelden staat
- halfzuil
- zuil die ongeveer over de halve dikte voor een muur of pijler uitsteekt
- hallenkerk
- kerkgebouw waarbij de zijbeuken ongeveer even hoog zijn als de middenbeuk
- hoofdgestel
- breed horizontaal lijstwerk bestaande uit een architraaf, fries en kroonlijst (tevens entablement genoemd)
- houtskelet
- dragend samenstel van houten stijlen, balken, regels en schoren in de houtbouw, waartegen wanden en vloeren zijn bevestigd
- *insteekverdieping
- zie: entresol
- kapconstructie
- wijze waarop een kap geconstrueerd is - de voornaamste onderdelen zijn de volgende:
- -> span/spoor
- betrekkelijk dun stuk hout dat van de dakvoet tot aan de nok loopt, waarover latten worden gelegd die de dakbedekking dragen
- -> hanenbalk
- horizontaal verbindingsstuk tussen twee sporen die tegenover elkaar zijn geplaatst
- -> korbeel
- schoor tussen een verticaal of schuinstaand en een horizontaal element van een kapconstructie
- -> stijl
- dragend verticaal constructie-element van hout, ijzer of een ander materiaal
- -> rib
- dunne balk, hier: een dunne vloerbalk
- -> gording
- houten ligger die in de lengterichting van een kap is aangebracht om steun te bieden aan spannen of sporen
- kapiteel
- kopstuk van een zuil, pijler of pilaster - een kapiteel heeft doorgaans ook een sterk ornamentele functie
- kariatide
- pilaar of zuil in de vorm van een vrouwenfiguur
- klezoor
- gedeelte van een baksteen, ontstaan door een steen op een kwart van de lengte dwars door te slaan, en gebruikt om de stootvoegen van verschillende lagen metselwerk niet boven elkaar te laten beginnen
- kloostergang
- galerij die aan drie of vier zijden een kloosterhof omzoomt (ook kruisgang genoemd)
- kloosterhof
- vierkant of rechthoekig plein, omzoomd door een kloostergang - vaak bevindt zich hier ook een put of fontein met wasplaats
- koepel
- bolvormig gewelf dat rust op een cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige onderbouw - is deze onderbouw rond of polygonaal, dan wordt deze trommel genoemd - als de onderbouw een overgang vormt van een vier- of veelhoekige grondslag naar de cirkelvorm van een koepelgewelf, dan noemt men dit een pendentief
- kolossale orde
- de hoogte van zuilen of pilasters op een façade meer dan één verdieping beslaan
- koor
- deel van een kerk waar zich het hoofdaltaar bevindt
- kooromgang
- wandelgang die om het koor en de apsis heen loopt en die de zijbeuken met elkaar verbindt (ook wel deambulatorium genoemd)
- kraagsteen
- zie: console
- kruising
- ombouwde ruimte boven het kruisveld
- kruisingstoren
- op de kruising van een kerk (dit kanbijvoorbeeld ook een hooggeplaatste koepel op tamboer zijn)
- kruiskerk
- kerk waarvan de plattegrond een kruis vormt - het schip van een kerk wordt dan onderbroken door een dwarsbeuk of -schip. het gedeelte van de plattegrond dat een dwarsschip en het schip van een kerk gemeen hebben heet het kruisveld
- kruiskozijn
- kozijn dat door een middelstijl en een tussendorpel (of kalf) in vieren is gedeeld
- lantaarn
- min of meer open of opengewerkte bekroning van een koepel of toren
- ligger
- horizontaal constructie-element ter overspanning van een ruimte
- liseen
- verticale constructieve verzwaring van de muur, die oogt als een pilaster maar dan zonder voetstuk en vaak zonder kapiteel
- loggia
- een schaduwrijke inham of verdieping in de gevel van een gebouw - vanwege de vaak ook representatieve functie van de loggia komt deze ook voor als zelfstandig bouwwerk
- luchtboog
- hooggeplaatste stenen schoorconstructie die de zijdelingse druk van gewelven en de kap van een kerk uitwendig opvangt en afleidt naar steunberen
- maaswerk
- gevlochten metselwerk met sterk decoratieve functie, vaak opengewerkt zodat deze licht doorlaten (ook tracering genoemd)
- makelaar
- middenstijl in een kapconstructie, waar verschillende constructieonderdelen als sporen en hanenkammen tegen kunnen steunen (daarom ook koningsstijl genoemd)
- merk
- teken dat vroeger werd aangebracht op onderdelen van hout en natuursteen om de plaats van het onderdeel in het bouwwerk aan te geven - diende tevens ter identificatie van de maker of leverancier van de bouwonderdelen
- metope
- vlak, soms ingevuld met decoratie, tussen de trigliefen in een dorisch fries
- metselverband
- wijze waarop stenen in een muur worden gerangschikt om een goede hechtheid van het metselwerk te garanderen - variaties in het metselverband komen voor door bakstenen op verschillende manieren aan te brengen, bijvoorbeeld door de kop (korte zijde) van een baksteen af te wisselen met de strek (lange zijde), waarbij de stootvoegen (staande voegen in het metselwerk) van opeenvolgende lagen niet recht boven elkaar worden geplaatst. in dit geval is er dan sprake van een vlaams verband. de liggende voeg in een metselverband heet lintvoeg
- *mezzanino
- zie: entresol
- moduul
- eenheid waarin de verhouding van de onderdelen van een gebouw ten opzichte van elkaar worden uitgedrukt
- muizentand
- decoratieve lijst van baksteen waarbij de koppen van bakstenen om en om licht uitsteken, soms in een hoek van 45°, zodat een rij van spitse tanden ontstaat
- muraalboog
- boog die in verband en evenwijdig met een muur is aangebracht ter ondersteuning van een gewelf, overstek of verzwaring van de bovenliggende muur (zie hieronder)
- nok
- horizontale snijlijn van twee dakvlakken (ook wel naald genoemd)
- obelisk
- monolithische vierkante, naar boven dunner wordende zuil met een piramidevormige spitse punt // later, in kleinere varianten, ook toegepast als versieringsmotief in gevels
- oeil de boeuf
- klein rond, ovaal of achthoekig raam in de gevel of het vooraanzicht van een gebouw
- omlijsting
- lijst rond openingen als vensters en deuren
- ontlastingsboog
- boog die aangebracht is ter ontlasting van muurwerk, bijvoorbeeld boven een venster in de muur om een bovendorpel te ontlasten
- opstand
- aanzicht van een bouwwerk // ook: een niet-perspectivische tekening op schaal van een aanzicht (van een onderdeel) van een bouwwerk
- orde
- klassieke bouwstijl waarvan het essentële kenmerk de zuil is - in de griekse architectuur onderscheidt men de dorische, ionische en corinthische orde en in de romeinse bouwkunst de toscaanse, dorische, ionische, corinthische en composiete orde
- overwelven
- met een gewelf overdekken
- paviljoen*?
- rechthoekig vooruitspringend onderdeel van een groot bouwwerk, geplaatst op de hoeken of in het midden van de gevel, waarbij deze vaak een eigen tent- of wolfdak heeft - paviljoens komen overigens ook als zelfstandige bouwwerken voor, maar dan zijn deze van licht-constructief materiaal vervaardigd, niet-monumentaal en vaak van tijdelijke aard
- piano nobile
- hoofdverdieping van een aanzienlijk huis, waar zich de representatieve vertrekken bevinden en die zich in principe boven de begane grond bevindt (vaak boven een souterrain) - ook bel-etage genoemd
- pijler
- massief stuk metselwerk met een constructieve functie, namelijk om een bovenbouw te dragen
- pilaster
- weinig uitstekende verzwaring van een muur (ongeveer een vijfde of zesde van haar breedte), voorzien van een basement, een schacht (al dan niet gecanneleerd) en een kapiteel
- pinakel
- ranke beéindiging in de vorm van een spits gotisch torentje, bijvoorbeeld op steunberen, vensters en portalen
- plint
- stootlijst van steen onder langs een gevel of van hout onder langs een kamerwand
- portaal
- in de muur uitgespaarde ruimte vóór de ingang van een bouwwerk
- pothuis
- halfbovengrondse uitbouw van de kelder, soms opgenomen in de stoep voor of naast het huis
- profiel
- omtreklijn van een gebouw of bouwdeel zoals deze zich aftekent tegen de lucht
- pui
- gevelzijde van de onderbouw van een huis, vaak met hout bekleed - het bovendeel van de gevel, die ten opzichte van de pui uitsteekt, wordt gedragen door de puibalk, een zware balk met een constructieve functie
- regel
- horizontale lat op een muur of vrijstaand tussen stijlen waarop of waartussen betimmering is aangebracht, soms achter een wandbespanning om doordrukken te voorkomen
- risaliet
- vooruitspringende partij van een bouwlichaam - wanneer het centrale deel van het gebouw vooruitspringt, noemt men dit een middenrisaliet - als de uiteinden van het bouwlichaam uitspringen noemt men deze hoekrisalieten
- rollaag
- reeks van gemetselde stenen op hun kant
- rolwerk
- versieringsmotief, bestaande uit in- en uitgezwenkte bandvormige krullen
- roosvenster
- groot rondlicht met maaswerk, veelal voorkomend in gotische kathedralen
- ruit
- kleine transparante rechthoekige of vierkante (glazen) plaat
- ->als je een ruit in de wiskunde zou benaderen dan zou je die zeker niet op deze manier definiëren. belangrijk is dat echt grote ramen zoals wij die vandaag de dag kennen pas in de (vroeg)moderne tijd gebruikelijk werden. de term ruit refereert echt naar het kleine glasplaatje
- schalk
- drager in de vorm van een kleine zuil of colonnet
- scheiboog
- boog, gewoonlijk onderdeel van een reeks, die de afscheiding vormt tussen het middenschip en de zijbeuken van een kerk
- schelpversiering
- ornament in de vorm van een schelp
- schoor
- schuin geplaatste paal, balk of stijl, die de druk van een last opvangt of een zijdelings verband aanbrengt
- schuifvenster
- venster bestaande uit een schuifkozijn, schuifraam en vast raam - het schuifkozijn is de houten omraming van een venster bestaande uit een vast (boven) en een schuivend deel (onder, dit wordt het schuifraam genoemd) - de dunne latjes in een raam, zowel horizontaal of verticaal, heten roeden - de onderdorpel van het vaste raam en de bovendorpel van het schuifraam vormen tezamen de wisseldorpel
- sleutelstuk
- langwerpig plat stuk hout tussen de balk en een korbeel die extra ondersteuning biedt, vaak ook versierd (tevens slof en neut genoemd)
- sluitsteen
- bovenste steen in een boog, vaak versierd // ook: steen in de top van een gewelf waar de verschillende ribben samenkomen
- snijraam
- versiering die in het bovenlicht van een deur wordt aangebracht
- sokkel
- hoge plint langs de onderzijde van een gevel die als voetstuk van het bouwwerk fungeert // ook: hoog voetstuk onder een zuil of een standbeeld
- souterrain
- benedenverdieping van een woonhuis die gedeeltelijk onder straatniveau ligt
- spanning
- afstand tussen de aanzetten van een boog of gewelf (ook spanwijdte of overspanning genoemd)
- speklaag
- horizontale versiering in een gevel van baksteen, vaak van een doorlopende lichtgekleurde horizontale strook (vroeg natuursteen, tegenwoordig vaak beton)
- spouwmuur
- muur bestaande uit twee evenwijdige delen, gescheiden door een smalle luchtruimte (de spouw), ter bescherming tegen nadelige weersinvloeden als vocht en grote temperatuurverschillen
- spuwer
- uitmonding van een goot - in middeleeuwse kathedralen vaak gevormd als een dierlijk of duivels monster (ook gargouille genoemd (of gargoyle in het engels))
- steunbeer
- massieve versterking van een muur om de zijdelingse druk van de op de muur rustende gewelven, luchtbogen of kap te weerstaan
- stijl
- rechtstaande stut, paal of steun, vaak van hout, waarvan de functie overeenkomt met de pijler (ook staander genoemd) // ook: rechtstaande deel in een deur- of raamkozijn (ook post genoemd)
- stoep
- geplaveide verhoging langs de straat, behorende tot het particuliere eigendom - soms afgezet met palen, stangen en/of kettingen
- stoeppaal
- paal die het particuliere deel van de stoep scheidt van de openbare ruimte
- straalkapel
- reeks van kapellen die als een krans het kooreinde van een kerk omzomen; de middenas van elke straalkapel is gericht op het koor
- stroomlaag
- rij van enigszins hellend op hun kant geplaatste stenen in een metselverband
- tandlijst
- decoratieve lijst van uitstekende blokjes
- timpaan
- veld binnen een fronton, niet zelden voorzien van beeldhouwkunst
- *toppilaster
- overhoekse pilaster ter bekroning van gevel
- transept
- dwarsschip van een kerk dat tot op dezelfde hoogte als het schip, waarmee het in open verbinding staat, is opgetrokken
- trap
- traptoren
- uitbouwsel van relatief geringe afmetingen waarin een wenteltrap is ondergebracht
- travee
- deel van een gebouw of gevel, bepaald door de afstand tussen twee verticale assen in de lengterichting van een bouwwerk
- trede
- horizontaal deel van een trap waarop gelopen wordt
- trekbalk
- balk die trekkrachten opvangt
- triforium
- ondiepe gang die is uitgespaard in de dikte van de muur boven de scheibogen van een basilicale kerk
- triglief
- versieringsmotief in het dorisch fries bestaande uit drie smalle uitstekende balkkoppen en twee gleuven - trigliefen worden in het fries door metopen afgewisseld
- triomfboog
- erepoort ter verheerlijking van een overwinnaar - ook: de boog waarmee het koor van een kerk zich op het schip of kruising opent (ook koorboog genoemd)
- *tussenvloer
- zie: entresol
- tweelicht
- venster dat door een middenstijl of deelzuiltje in twee gelijke lichten is verdeeld
- ->zie ook: drielichtvenster
- uitkraging
- deel van het bouwwerk dat overstekend is geconstrueerd om een muurverzwaring of uitspringend gedeelte van betrekkelijk geringe massa te ondersteunen
- vakwerkbouw
- bouw in houten stijl- en regelwerk, waarbij de open ruimten tussen de stijlen, regels en schoren worden gevuld met vlechtwerk van leem, steen of planken
- venster
- lichtopening in een muur
- verdieping
- bouwlaag boven de begane grond
- verjongen
- slinken, naar boven toe smaller worden
- vestibule
- inwendig portaal, brede gang op de begane grond
- vierpas
- versieringsmotief uit de gotische periode van maaswerk, gevormd naar een schema van vier elkaar rakende cirkels
- ->zie ook: driepas
- voluut
- krul- of spiraalvormige versiering die kenmerkend is voor het kapiteel van een ionische zuil
- vleugel
- zijgedeelte van een bouwwerk, vaak ondergeschikt aan de hoofdpartij
- vliesgevel
- niet-dragende afscheiding tussen het exterieur en interieur van een gebouw, samengesteld uit glas en lichte bouwmaterialen
- vlucht
- vooroverhellen van een gevel ter optische correctie en om inwateren te voorkomen - ook wel "op de vlucht" genoemd
- ->men zegt dat deze constructie ook bedoeld was om te voorkomen dat grote objecten, die dmv de hijsbalk omhoog werden gehezen, schade konden aanrichten
- voetstuk
- blokvormig onderstuk van een zuil
- vormsteen/vormstuk
- baksteen met een afwijkende vorm, die voor een speciaal doel gebakken is
- waterlijst
- lijst met een schuin bovenvlak waarlangs regenwater afloopt, die van onder hol is om het afwateren te vergemakkelijken
- westwerk
- massaal dwarsblok aan de westkant van een kerk dat vaak gekenmerkt wordt door een opbouw met een of twee torens
- wimberg
- siergevel boven venster- en deuropeningen (en soms ook boven grafnissen) - vaak rijk versierd met maaswerk, geflankeerd door hogels en bekroond met een kruisbloem
- zijkapel
- kapel ter zijde van het hoofdschip of koor waarmee het in open gemeenschap staat
- zolder
- vloer over een balklaag // ook: ruimte tussen de bovenste vloer en de kap
- zuil
- vrijstaand dragend bouwdeel waarvan de horizontale doorsnede een cirkel vormt - kan zowel een ronde als een gegroefde schacht hebben
- zwik
- hoekstuk tussen een boog en een rechthoekige omlijsting waarin de boog gevat is, vaak ook versierd
a
b
c
d
e
f
g
h
i
k
l
m
n
o
p
r
s
t
u
v
w
z
*? Vraagtekens
- deelzuil
- er wordt nergens vermeld wat dit is
- ->
- uit context afleiden doet vermoeden dat het ofwel de koepelterm is voor half- en (drie)kwartzuilen ofwel dat het simpelweg een kleinere zuil is...
- paviljoen
- deze term vind ik over het algemeen gewoon redelijk vaag
